Draag een mondmasker!
Omdat er erg veel luchtweginfecties circuleren, is het dragen van een mondmasker verplicht op alle verpleegafdelingen.

Meer details
calendar selected 24 februari 2026

Wat moet je weten over protonpompinhibitoren?

Prof. Dr. Joris Arts, Dr Julie Busschaert, Dr. Sofie Decock, Dr. Annelies Holvoet, Dr. Joachim Tengan, Dr. Justine Vancanneyt

De laatste maanden is er veel te doen over het voorschrijfgedrag van PPI door huisartsen en de mogelijke gevaren van deze groep van medicatie. In deze korte uitleg gaan we dieper in op deze problematiek. 

Fysiologie

Postprandiaal geven G-cellen in de maag gastrine vrij. Gastrine stimuleert de enterochromafine cellen, die op hun beurt chromogranine en histamine vrijzetten. Histamine is een sterke stimulator van de pariëtale cellen en zorgt voor productie van HCl. Anderzijds zal de nervus vagus postprandiaal acteylcholine vrijgeven, die pariëtale cellen activeert door binding op hun muscarinereceptoren.

Protonpompinhibitoren (PPI) blokkeren de geactiveerde protonpompen van de pariëtale cellen, maar niet langs de luminale zijde. De PPI moeten dus in de bloedbaan aanwezig zijn op het ogenblik dat de patiënt eet. Daarom moeten ze 30 minuten voor de maaltijd ingenomen worden.

Diagnose van reflux

Bij de behandeling van reflux is het belangrijk dat de diagnose correct wordt gesteld. Dit kan op basis van typische refluxklachten:

  • Pyrosis: een brandend gevoel opstijgend vanuit het epigastrium naar de keel toe
  • Regurgitatie: terugkeren van vocht of voedsel zonder enige moeite te moeten doen

Bij aanwezigheid van ‘red flags’ (leeftijd boven de 45 jaar, gewichtsverlies, bloedverlies, dysfagie …) moet onmiddellijk een endoscopie uitgevoerd worden. Ook bij patiënten met atypische refluxklachten dient eerst gericht onderzoek te gebeuren alvorens medicatie op te starten.

De behandeling start in eerste instantie met een aanpassing van de levensstijl: geen pikante voeding, geen alcohol, geen grote en vetrijke maaltijden, laat eten vermijden ... Indien nodig kunnen antacida gebruikt worden.

Bij persisterende klachten kan je een PPI in lage dosis voorschrijven, zoals Pantomed of Omeprazole 20 mg, en dit gedurende 4 tot 8 weken. Bij een gedeeltelijke respons kan je de dosis verhogen. Daarna moet de therapie afgebouwd worden. De patiënt uitgelegd worden dat er tijdelijk een reboundfenomeen kan optreden. Dit reboundfenomeen ontstaat door een gestegen productie van onder andere chromogranine en histamine, die na het onderbreken van de PPI nog even aanhoudt.

Bij herval van typische refluxklachten kan je de PPI opnieuw opstarten. Als de klachten na 1 jaar persisteren, is een gastroscopie aangewezen. Hiervoor moet de PPI minstens 4 weken onderbroken worden. In 2024 werden de Lyon-criteria voorgesteld om de diagnose van reflux te stellen.

  • Als bij een gastroscopie een graad B, C of D, Barrett of een ulceratieve fibrose wordt vastgesteld, is de diagnose van gastro-oesofagale reflux (GERD) gesteld. Zo niet, dient een pH-metrie impedantie gedurende 24 uur te gebeuren. Ook als de AET (acid exposure time: pH<4) meer dan 6 % of het aantal refluxepisodes meer dan 80 bedraagt, is de diagnose van GERD gesteld.
  • Als geen van beide afwijkingen wordt geregistreerd, maar er wel een duidelijke correlatie tussen de refluxepisodes en de klachten is, ligt een hypersensitieve slokdarm aan de basis van de klachten.
  • Wordt er geen correlatie vastgesteld, dan is er een onderliggende functionele heartburn.

Het onderscheid tussen GERD, hypersensitieve slokdarm of functionele heartburn is belangrijk omdat de therapie verschillend is. Beide laatsten worden o.a. behandeld met neuromodulatoren zoals TCA en SSRI’s.

PPI-refractaire reflux

Als er een bewezen pathologische GERD is en de klachten persisteren onder hoge dosis PPI, zijn er verschillende opties:

  • Een andere of hogere dosis van PPI voorschrijven, bijvoorbeeld Esomeprazole 2*40 mg
  • H2-blokkers, zoals Famotide 20 mg (verkrijgbaar in Nederland), zijn nuttig voor nachtelijke reflux maar geven op lange termijn een risico op resistentie
  • Lioresal vermindert het aantal transiënte relaxaties van de lage oesofagale sfincter (tLESR’s) en kan zo reflux vermijden, maar nevenwerkingen zoals sufheid belemmeren het langdurig gebruik.
  • Antacida met algenextract (Gaviscon®) of een antacida met een protectieve gel voor de slokdarm (GERD-off®) kunnen geassocieerd worden naast de PPI en zijn mogelijks beter dan de klassieke antacida zoals Rennie® of Riopan®.
  • Prokinetica, zoals Itoprom, kunnen voorgeschreven worden, maar de studies die deze behandeling ondersteunen zijn beperkt.

Nevenwerkingen van PPI

De laatste jaren werden PPI in een negatief daglicht gezet. Heel wat nevenwerkingen werden toegeschreven aan het chronisch gebruik van PPI. Bij grondig nazicht blijkt dat vele beweringen niet onderbouwd zijn door degelijke studies en meestal gebaseerd zijn op secundaire analyses van grote cohortstudies met een zeer groot risico op bias.

Volgende nevenwerkingen kunnen wel gelinkt worden aan het chronisch gebruik van PPI:

  • Verhoogd risico op infecties zoals clostridium bij geriatrische patiënten, salmonella bij immuungecompromitteerde patiënten
  • Acute interstitiële nefritis (zeldzaam en omkeerbaar)
  • Ontstaan van hyperplastische poliepen (geen risico op ontaarding)
  • Microscopische colitis
  • Laag magnesiumgehalte en verlaagde opname van ijzer

Er zijn onvoldoende bewijzen voor een verhoogd risico op osteoporose, dementie, maagkanker, verhoogde bloedingsneiging, …

De belangrijkste boodschap is dat altijd de laagste dosis van PPI voorgeschreven wordt en dat steeds wordt nagaan of de behandeling niet onderbroken kan worden. Let wel, er zijn strikte indicaties waarbij je PPI niet mag onderbreken, zoals bij Barrett, EoE, ernstige erosieve oesofagitis graad C en D en Zollinger Ellison.

PPI afbouwen of stoppen

PPI zijn al meer dan 30 jaar beschikbaar en hebben voor een grote doorbraak gezorgd in de behandeling van reflux en ulcera. Het gebruik van PPI is veel te hoog vandaag. De indicatie, de dosis en duur van therapie zijn niet altijd correct. Onderzoek toont aan dat 50 tot 70 % van de patiënten onnodig PPI innemen. Sinds het KB van december 2024 heeft de overheid strikte indicatoren opgelegd voor de huisartsen. PPI afbouwen of stoppen kan op verschillende manieren gebeuren: afbouw op basis van klachten, volgens een strikt schema of met het gebruik van antacida. De recente PEPPER-trial zal een antwoord hierop bieden. De eerste resultaten tonen aan dat meeste patiënten met reflux of dyspepsie in staat zijn om hun PPI te stoppen of significant te reduceren.

Conclusie

PPI hebben hun plaats in de behandeling van reflux. Typische reflux klachten kunnen zonder onderzoek gedurende 1 jaar behandeld worden, nadien dient er bewijs geleverd te worden. Pas levensstijl aan en streef naar de laagst mogelijke dosis van PPI. Nevenwerkingen van PPI bestaan, maar voor de meeste is er onvoldoende bewijs.

Contact

Gastro-enterologie
050 36 51 55
sec.inwendige@stlucas.be 


Verwante nieuwsberichten