|
|
|
| kwaliteit en patiëntveiligheid | |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Het vroegtijdig herkennen van MRSA-dragers op een kostenefficiënte wijze, dus gericht op de groepen met het hoogste risico. |
|
|
Het gebruik van efficiënte barrières zonder een kwalitatieve behandeling van de patiënt in de weg te staan. |
|
|
Dekolonisatie waar mogelijk/aangewezen. |
Voortgaande op Belgische en internationale richtlijnen werd een systeem voor screening op MRSA bij risicopatiënten ontwikkeld. Hierbij gaat de aandacht enerzijds naar het vroegtijdig opsporen van MRSA bij een opname van een patiënt uit een gekende risicogroep in de maatschappij en anderzijds naar het tijdig herkennen van verspreiding binnen het ziekenhuis. Van groot belang is het uitvoeren van screening op een efficiënte wijze, omdat elke screening een belasting betekent voor zowel patiënt, verpleegkundig personeel als laboratorium.
MRSA-detectie uit risicogroepen bij opname
De volgende groepen van mensen worden beschouwd als risicogroepen in de maatschappij:
|
|
De mensen die in een instelling voor chronische zorg verblijven of mensen die van een ander ziekenhuis komen. |
|
|
De mensen die tijdens (of na) een vorig verblijf met succes gedekoloniseerd of behandeld werden. |
|
|
De mensen die drager waren op het ogenblik van een vorig ontslag. |
|
|
De mensen die vaak met gezondheidszorg in contact komen (bijvoorbeeld nierdialysepatiënten). |
In ons ziekenhuis worden deze risicogroepen bij opname gescreend. Er is een communicatiesysteem voorzien zodat een verpleegeenheid meteen op de hoogte is van de nodige maatregelen.
Wanneer een screening bij een patiënt een positief resultaat geeft, worden bijzondere voorzorgsmaatregelen genomen en een dekolonisatieschema gestart.
Er is een vermoeden dat MRSA ook in de bevolking aanwezig is bij mensen die niet met gezondheidszorg in contact kwamen. Het ziekenhuis werkt mee aan verder onderzoek en zal, afhankelijk van het resultaat, dit beleid aanpassen.
MRSA-detectie tijdens een verblijf in het ziekenhuis
Uit literatuurgegevens blijkt dat, naast een hogere leeftijd, de verblijfsduur de voornaamste risicofactor vormt voor het verwerven van MRSA in een ziekenhuis. Een analyse van de patiënten bij wie MRSA gevonden werd in ons ziekenhuis, bevestigde dit patroon. Daarom werd in 2007 een screening gestart bij alle patiënten ouder dan 65 jaar op de 7de dag van het ziekenhuisverblijf, met een herhaling om de 14 dagen. In 2009 werd beslist om alle mensen ouder dan 18 jaar, die meer dan 2 weken in het ziekenhuis verblijven, ook te screenen en om bij hen verder een opvolgingsscreening om de 2 weken uit te voeren. Dit werd noodzakelijk, omdat we merkten dat de risicopopulatie jonger werd. Op de verpleegeenheid Intensieve zorg wordt gekozen voor een frequentere screening vanwege het gevaar bij verspreiding naar deze zwaar zieke patiënten. Via een automatisch systeem worden de verpleegeenheden verwittigd welke patiënten in aanmerking komen.
Wanneer een screening bij een patiënt een positief resultaat geeft, worden bijzondere voorzorgsmaatregelen genomen en een dekolonisatieschema gestart.
Voor de medepatiënt van een persoon bij wie MRSA gedetecteerd werd, wordt een volledige screening uitgevoerd zodra de positieve patiënt in isolatie verzorgd wordt. Daarnaast worden ook voormalige medepatiënten opgespoord en indien mogelijk gescreend.
Stalen worden afgenomen met een droge steriele wisser in neus, keel, perineum, wonden en insteekplaatsen van een sonde.
Voor een neusscreening wordt met 1 steriele wisser 5 keer in het voorste hokje van beide neusgaten gewreven zonder dat de neus vooraf gesnoten werd. Voor de keel gebeurt de staalafname in de keelholte, achter de huig. Een screening van het perineum wordt afgenomen rond de aars. Niet-intacte huid (bijvoorbeeld wonden, eczeem, psoriasis …) wordt getest door over de plaats te wrijven zonder dat er vooraf gewassen of gespoeld werd. Insteekplaatsen zoals van een gastrostomiesonde, suprapubische sonde, tracheacanule …, worden gescreend na het verwijderen van het verband en voor de verzorging. Een insteekplaats van intravasculair materiaal komt niet in aanmerking voor de test.
De bijzondere voorzorgsmaatregelen worden toegepast bij:
|
|
Elke patiënt bij wie MRSA gevonden wordt bij screening of uit een ander bacteriologisch staal. |
||||
|
|
Voor de mensen bij wie een sterk vermoeden is van dragerschap:
|
||||
|
|
Patiënten van wie de doorverwijzende instantie (bijvoorbeeld huisarts of verzorgingsinstelling) liet weten dat de patiënt drager is. |
De voorzorgsmaatregelen bestaan uit:
|
|
Verzorging in een eenpersoonskamer. |
|
|
Gebruik van barrières door artsen en verzorgend personeel. Dit bestaat uit handschoenen en overschort bij rechtstreeks contact met de patiënt of omgevingsoppervlakken. Een masker wordt gedragen om hand-neuscontact te vermijden. |
|
|
Oppervlakken en materiaal waarmee de patiënt rechtstreeks of onrechtstreeks in contact kwam, worden altijd gereinigd en ontsmet alvorens eventueel te gebruiken bij een volgende patiënt. |
De MRSA-patiënt heeft, net als elke patiënt, recht op kwalitatieve zorg. Dit betekent dat elk onderzoek en elke behandeling die aangewezen is, moet doorgaan mits een correcte toepassing van de voorzorgsmaatregelen. Dit vergt heel wat inspanning naar organisatie en communicatie, maar is onontbeerlijk voor een kwalitatieve patiëntenzorg.
Er wordt een procedure gevolgd om de patiënt te bevrijden van de MRSA-bacterie. Dit proces wordt eradicatie genoemd. Het dekolonisatieschema dient soms herhaald te worden, maar er wordt altijd rekening gehouden met de vermoedelijke kans op slagen van de procedure.
Zodra MRSA gedetecteerd wordt, wordt de huid gewassen met een zeep op basis van chloorhexidine (Hibiscrub®). Bij overgevoeligheid voor dit middel wordt er overgestapt op Iso-Betadine® zeep.
Door het labo wordt bij elke geïsoleerde MRSA-stam de gevoeligheid voor het antibioticum mupirocine getest. Bij isolatie van een gevoelige stam uit de neus, wordt een neuszalf op basis van mupirocine (Bactroban®) gebruikt. Indien echter de patiënt gelijktijdig drager is in dieper gelegen delen van het ademhalingsstelsel (keel, secreten uit luchtwegen …), is de kans op slagen van een mupirocinebehandeling zeer klein. Ook andere antiseptische of antibiotische zalven worden soms aangewend in het dekolonisatieproces, onder meer in het geval van resistentie tegen mupirocine.
Een dekolonisatieschema wordt in principe 5 dagen aangehouden. Het succes ervan wordt steeds gecontroleerd door middel van een nieuwe screening.
Een goede communicatie met de omgeving die verder instaat voor de zorg van de patiënt (huisarts, instelling verlengde zorg, thuisverpleging) kan een belangrijke maatregel zijn in de preventie van verdere overdracht. Om deze redenen wordt de relevante informatie omtrent MRSA-dragerschap met de status van screening en dekolonisatie bij het ontslag gecommuniceerd aan de huisarts of aan de instelling waar de patiënt verblijft.
Teneinde een inzicht te verkrijgen in de verspreiding van het probleem in de Belgische ziekenhuizen, werd door de overheid een protocol voor MRSA-registratie in de ziekenhuizen opgesteld. Sinds 2006 is elk ziekenhuis verplicht om hieraan deel te nemen. Voor ons ziekenhuis zijn er reeds vroegere cijfers beschikbaar en is een vergelijking met nationale cijfers mogelijk vanaf 2002.
De volgende cijfers zijn beschikbaar:
|
|
Resistentiecijfer: |
|
|
Incidentiecijfer: |
Via een MRSA-beleid dat door het team ziekenhuishygiëne in overleg met het comité voor ziekenhuishygiëne uitgewerkt werd, wordt de nosocomiale verspreiding van MRSA tegengegaan. Dit vertaalt zich onder meer in een verbetering van een aantal indicatoren zoals de MRSA-incidentie, de proportie nosocomiaal verworven MRSA en de methicillineresistentie van Staphylococcus aureus-stammen. Niet alleen werden voor al deze indicatoren altijd significant lagere waarden dan het Belgische gemiddelde bekomen, doch de laatste jaren bevindt men zich soms onder het 10de percentiel. In het eerste semester van 2009 en in het eerste semester van 2010 waren we voor de nosocomiaal verworven MRSA de beste van het land. Dit mag evenwel geen aanleiding betekenen om de aandacht te laten verslappen. Een actief opsporingsbeleid bij risicogroepen, isolatie en dekolonisatie blijven van essentieel belang. Een actieve samenwerking en uitwisseling van gegevens met instellingen voor chronische zorg en met de huisarts zal in de toekomst een essentieel element blijven vormen in de strijd tegen deze belangrijke ziekenhuispathogeen.