|
|
moeder-kindzorg |
| zwangerschap | |
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
Als door een echografisch onderzoek een afwijking bij het ongeboren kind geconstateerd wordt, wordt dit eerst met u besproken. |
|
|
Uw gynaecoloog zal met u bespreken of eventueel verder onderzoek zinvol is. Bijvoorbeeld een vruchtwaterpunctie, een onderzoek van placentaweefsel (vlokkentest) of een onderzoek van het bloed van de baby door middel van een navelstrengpunctie. Er kan bovendien afgesproken worden om het onderzoek na 1 of 2 weken te herhalen. |
|
|
Als duidelijk is welke afwijking bij de baby geconstateerd is, vindt een uitgebreid gesprek plaats tussen de ouders en de gynaecoloog. Indien zinvol zullen artsen van een andere specialiteit geraadpleegd worden. |
|
|
Vanaf een zwangerschapsduur van 24 weken wordt met de ouders en specialisten de aanpak uitgestippeld waarbij moeder en kind centraal staan. Zo kan de geboorte bijvoorbeeld plaatsvinden in een centrum met speciale opvangmogelijkheden voor kinderen. Andere mogelijkheden zijn het opwekken van een vroeggeboorte of een geboorte met behulp van een keizersnede. |
|
|
Als uw bloedgroep niet bekend is of als u geen bloedgroepkaart hebt, zullen uw bloedgroep en rhesusfactor nagegaan worden. |
|
|
Er wordt nagekeken of u antistoffen hebt tegen toxoplasmose of rubella. Als u geen antistoffen hebt, moet u bepaalde voorzorgen nemen zoals beschreven in de hygiëne- en leeftips. |
Deze bloedafname gebeurt in combinatie met een
echografisch onderzoek tussen 11 en 14 weken. Tijdens de echografie
wordt de nekplooidikte gemeten. Aan de hand van deze 2 parameters
wordt het risico op het downsyndroom bepaald. Het risico wordt als
verhoogd beschouwd als dit hoger is dan 1 kans op 250. Bij een
verhoogde kans kan een vruchtwaterpunctie of een vlokkentest gebeuren. Deze
tests zullen u zekerheid geven over de diagnose van het downsyndroom.
Vooraleer u beslist deze tests te doen, moet u nadenken over wat u
zou doen als u zwanger zou zijn van een baby met het downsyndroom. Als dit
voor u geen reden is om tot een zwangerschapsafbreking over te gaan, dan
is het volgens ons niet zinvol deze tests uit te voeren.
Tussen 24 en 28 weken doen we een suikertest. Deze test bestaat uit het drinken van 50 g suikerwater waarna 1 uur later bloed afgenomen wordt. Als de waarde te hoog is, zullen we u vragen een uitgebreide test te doen om na te gaan of u zwangerschapssuikerziekte hebt.
Tijdens een cardiotocografie of CTG-onderzoek wordt de hartslag van de baby geregistreerd. Aan de hand van het patroon van deze hartslag wordt informatie over het welzijn van de baby ingewonnen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd als u de baby minder goed voelt bewegen, als de baby niet goed groeit of op het einde van de zwangerschap (alarmsymptomen).

© 2012 AZ Sint-Lucas Brugge